Kattenspeelgoed: spelen zoals een kat jaagt
Katten spelen in korte, intensieve uitbarstingen. Een spelmoment van vijf tot tien minuten, een paar keer per dag, past beter bij hun natuur dan één lange sessie. Speelgoed dat beweegt als een prooi werkt daarbij het best.
Samen spelen: hengels en plaagstokken
Met een kattenhengel bepaal jij het ritme: laat de veer of het lapje wegkruipen en stilvallen, in plaats van er constant mee te zwaaien. Sluit een spel altijd af met een keer echt vangen, anders blijft je kat gefrustreerd achter.
Alleen spelen
Balletjes, muisjes en springveren zijn er voor de momenten dat jij er niet bij bent. Catnip- en matatabispeeltjes geven daar een extra prikkel bij; ongeveer een op de drie katten reageert overigens niet op catnip, en dan is matatabi vaak wel een succes.
Denkwerk en eten combineren
Met puzzelspeelgoed moet je kat werken voor zijn eten. Dat vertraagt het eten, verdrijft verveling en is vooral waardevol voor binnenkatten die weinig prikkels krijgen.
Klimmen, schuilen en krabben
Spelen gaat niet alleen om speeltjes. Hoogte en schuilplekken horen erbij: kijk bij tunnels en klimmen en bij krabpalen. Een krabpaal bij het raam combineert uitzicht, klimmen en nagelonderhoud in één.
Veilig spelen
Berg touwtjes, elastiekjes en hengels na het spelen op: draad is voor katten gevaarlijk om in te slikken. Controleer speeltjes op losse belletjes en oogjes, en wissel het speelgoed regelmatig af, dan blijft het nieuw voelen.